N  y  n  k  e   L  a  a  n  s  t  r  a  
 
N y n k e       
 

 
 

Een man, een vrouw, een modern schavot

zondag 08 februari
 
  Nieske
(....)
 
Ik wist genoeg. Terwijl ik haar bedankte, probeerde ze me vriendelijk, maar met lichte drang, uit te horen wie die rare snuiter was. Met een schalks lachje, stootte ze me aan en vroeg of ik de man in kwestie zijn congé had gegeven.
Zo goed en kwaad kletste ik er maar wat om heen. Ze had hem niet herkend.
Voor zover ik wist had ze niet de beschikking over internet. Ze hield niet van die nieuwerwetse dingen. Aangezien ze altijd stipt om twintig over tien de lichten in de kamer uit doet, weet ik dat ze de talkshow Hulzen & Koning ook niet heeft gezien.
Ze had Fons vast herkend, als het wel zo was geweest.
Ik zie aan het summiere licht, haar schemerlampje boven haar leesstoel, dat ze niet thuis is. Anders had ze me allang gebeld. Gewaarschuwd.
In mijn gedachten hoorde ik haar, wijsvinger in de lucht, zeggen, dat gespuis moeten we hier niet hebben hoor!
Ik kijk nog een keer naar binnen, en opeens schiet het mij te binnen dat ze bij haar bij haar dochter is. Gelukkig, ik was al ietwat ongerust.
Mevrouw Teunissen, sommigen buren vinden haar een bemoeial, ik vind haar met haar achtenzeventig jaar, behoorlijk kwiek en oplettend. Ze doet me aan mijn eigen oma denken, het zelfde keurige gekapte zilvergrijze haar, en net zoals oma, draagt ze altijd bij haar winter mantel, een bijpassende tas, das, hoed en glacés’s.
Ze was in haar jonge jaren een gepassioneerde, vooruitstrevende vrouw, veroordeeld tot een baan in en om het huis, maar wist door haar hobby’s toch veel van het leven te maken. Ze was maatschappelijk en politiek betrokken, wierp zich op de barricade’s, voor onder meer het feminisme, en had daardoor veel bereikt.
Een vrouw met een ruime dosis mensenkennis, humor, en de nodige zelfspot. Een vrouw met een groot hart, waar kinderen en kleinkinderen vaak langskomen. Net zoals bij mijn oma destijds.

Als  ik mijn tanden poets, slaat de schrik me om het hart. Ik hoor een portier dichtslaan en even later iemand mijn tuinpad oplopen.

Aan de voetstappen, een bedachtzame tred, hoor ik, weet ik, voel ik, dat het Fons is.

Zijn voetstappen, zijn tred, ooit maakten ze me licht opgewonden, later alleen nog maar bang. Ik had me er in geoefend zijn humeur aan zijn voetstappen te ontleden. De laatste jaren van ons huwelijk hoefde ik me niets meer af te vragen. Ze waren het zelfde, en ze boezemden me aldoor meer angst in. Die boze voetstappen op de trap, ze kwamen telkens regelmatiger, net zoals zijn boze handen over mijn hele lichaam.

En nu staat die man na al die jaren, de man die mij mishandelde, aanrandde én verantwoordelijk is voor het verlies van onze zoon, nu staat hij onder mijn raam, voor mijn deur. Hemelsbreed, nog geen twee meter van mij vandaan…oude verborgen angsten, ze verlaten haar nimmer. Onbewust, doorboort ze, net zoals vroeger, met haar nagels, haar handpalmen. Verplaatsen van de pijn….

Ik weet dat hij mij niet kan horen, maar toch betrap ik me zelf erop dat ik met ingehouden adem, op mijn tenen de badkamer verlaat. Stil, heel stil, zoals voorheen, als ik een keer later op bed ging, en Fons niet wakker wilde maken, sloot ik tergend langzaam de badkamerdeur.

Op van de zenuwen ging ik op de rand van mijn bed zitten.
Dankbaar voor de dichte donkere gordijnen, knipte ik mijn bedlampje aan. Er kwam geen lichtstraaltje door. Ik wachtte. Wachtte op het geluid van zijn voetstappen. Ik keek op de wekkerradio en zag dat het vijf over elf was.
Om kwart over elf had ik nog niets gehoord. Koud zat ik voor me uit te staren en  was al tien minuten druk aan het debatteren wat ik moest doen.  Lekker gaan slapen en hem voor mijn deur in zijn sop gaar laten koken, laten verkleumen,- ik zag de krantenkoppen al voor me, opgejaagde man, sterft door onderkoeling voor huis ex-vrouw, of, moet ik met mijn hoofd uit het raam hem duidelijk maken dat hij op moet sodemieteren, dat ik de politie bel…hij heeft ooit een straatverbod gehad…

Of, moet ik hem vragen wat hij wil. Die optie streep ik direct weer door. Ik wil geen gesprek met hem. Diep in mijn hart, begin ik ook boos te worden op Elze. Wat een streek…

Maar, tegelijkertijd sprak ik mijzelf vermanend toe, dat Elze ook geschrokken is van de reacties en de impact op haar actie. In het besef dat ik wel met mooie herinneringen aan mijn kindertijd, aan mijn vader, terug kan denken, blijf ik pal achter haar staan. Ze weet dat ik, de wijze waarop ze haar ongenoegen aan de wereld kenbaar heeft gemaakt, niet deel, het zeker mijn goedkeuring niet verdient, maar ik blijf haar steunen. Ik leef immers in de wetenschap, dat mijn vader, mijn moeder, nooit heeft geslagen. Zij niet. Haar vader, is verantwoordelijk voor haar wantrouwen, met name naar mannen. Haar boosheid is terecht. En wat ik begreep heeft ze door haar actie bij veel mensen, lotgenoten, iets heeft losgemaakt. Haar mailbox puilde uit, de steunbetuigingen, de horror verhalen, diep in mijn hart ben ik ook trots op mijn dochter. Ze durft wel voor zichzelf op te komen. De grens te trekken. De loyaliteitsband te doorbreken!

Een eigenschap, die ze genetisch van mijn kant heeft, maar die ik lange tijd niet durfde te gebruiken.
Tot die laatste klap. Toen durfde ik eindelijk weer voor mezelf op te komen.
Toen werd ik weer Nieske.
 
Door al die vechtpartijen was ik totaal niet meer de Nieske die iedereen kende. Die ik zelf kende. Ik was murw geworden, ik was nog maar een slap aftreksel van het moedige meisje. Iedereen kende mij als gekke, vrolijke leuke, grappige, avontuurlijke  Nieske. Chris ook.
Daar was Chris verliefd opgeworden. Althans dat zei hij altijd. Ik was zijn G.G.L.N. Zijn geweldige, grappige, liefste, Nieske. Zijn meiske, zijn famke. Gek, dat haar gedachten op dit moment naar Chris afdwalen. Ze had al een poosje niet meer aan hem gedacht. Het gemis, het verdriet, de leegte, het went nooit, maar slijt wel. Twee huwelijken verder zijn de scherpe kantjes er wel af, maar Chris, hij blijft altijd in haar hart.
Immers, wie echt in je hart woont, verlaat je nimmer.
Chris, hij woonde in haar hart.
Ondanks dat hij haar verlaten had, weet ze nu nog, dat hij echt van haar gehouden heeft. Het symbool, een parelmoer hartje, gevat in zilver…met veel liefde had hij haar het hartje gegeven…het was tijdens een vakantie, ze waren in het bos aan het wandelen, toen hij plotseling zijn handen voor haar ogen deed en haar met zijn sjaal  blinddoekte. Hij tekende een hart met pijlen met hun namen in de grond. Midden in het hart lag een cadeautje.
Nooit zal ze zijn gezicht vergeten, nadat hij haar hand beetpakte en haar, nog steeds geblinddoekt dirigeerde naar het midden van het hart, en vertelde dat ik de blinddoek af mocht doen. Zijn gezicht, het leek op een klein jongetje die vol verwachting op de komst van Sinterklaas wachtte.
Daar stond ik, midden in een hart, en hij vertelde mij dat zijn hart niet groot genoeg was, voor al die liefde die hij voor mij voelde, en dat het cadeautje, zijn liefde voor mij, maar een klein percentage, vertegenwoordigde. Er was geen hart groot genoeg voor zijn gevoelens.
Ze had het vanaf die dag altijd gedragen.
Zelfs nadat hij haar verlaten had, bleef ze het dragen.
Totdat haar relatie met Fons zich aandiende, heeft ze het omgehad. Met tranen van spijt, en stille verlangens, verstopte ze het voor Fons, in oma gouden juwelenkistje. Zelden, heel zelden had ze het in haar huwelijk met Rick tevoorschijn gehaald. Tijdens haar huwelijk met Fons, had ze vaker aan die intense drang toegegeven.
Haar dieptepunt was de avond voor Fons zijn vertrek naar Londen. Hij had zich weer te goed gedaan om haar eens lekker af te rossen. Het ging om een paar sokken die hij niet kon vinden.
Er lagen twintig paar blauwe sokken in zijn la, maar hij wilde net die, met dat bepaalde ruitmotief, en die lagen ongewassen in de wasmand. Hij sloeg haar met de sokken tegen haar hoofd, in haar gezicht, met de vermelding, een stinkwijf, verdient een aframmeling met zijn stinksokken. Die nacht stond ze op de hand zijn sokken te wassen en ze met haar föhn in de laagste stand, angstig om hem wakker te maken, droog te blazen.
De volgende ochtend, toen ze zeker wist dat hij veilig boven de Noordzee vloog, deed zij het kettinkje om, waande zich, twee dagen de vrouw van Chris. Mevrouw Heemstede- Van Kesteren. Het zilver, de glans van het parelmoer, het werd in de loop der jaren matter, het hield gelijke tred met haar gevoelens van gemis en hoop. Die werden ook matter en vlakker. Er waren tijden dat ze sporadisch  aan hem dacht, en soms was ze uren aan het dagdromen over hoe het leven met hem geweest zou zijn. Ze kijkt naar de foto van Rick, haar overleden man. In  de beginjaren dacht ze amper aan Chris, ze was erg gelukkig met hem. Maar na verloop van tijd, zeker toen Elze ouder werd, en meer haar eigen weg ging, wist ze dat haar hart niet helemaal aan deze betrouwbare, zeer lieve man toebehoorde.

Zijn liefde voor haar en Elze, zorgde ervoor dat ze hem trouw bleef.

Chris, hij kwam als een duveltje uit een doosje de  kop op steken, toen ze hem tijdens een vakantie op een druk terras zag zitten. De roodharige mevrouw die naast hem zat, ik dichtte haar toe dat zij mevrouw Heemstede was. Zij degene was, die de (vacante) vacature had ingevuld. Zij was waarschijnlijk de vrouw voor wie hij mij verlaten had, aldus zijn laatste brief. Hij was verliefd geworden op een ander, vast op haar.

Ik wist dat het Chris was, ik zag het aan zijn houding, zijn manier van zitten. Het toeval wilde dat ik drie dagen daarvoor een oude foto van Chris had gezien, waar hij in exact dezelfde houding zat. Na al die jaren na ons afscheid, de niet waar gemaakte belofte’s, de uitgevochten wraakacties over en weer was ik blij.
Ik had hem gezien.
Het stemde mij gelukkig.
Snel keek ik weg, maar voelde die bekende steek in mijn hart. In mijn fantasie was hij met haar gelukkig getrouwd, hadden ze, zoals hij graag wilde, twee leuke kinderen, een hond, én een twee-onder-één kap woning met garage. Uiteraard had hij zijn droom, een eigen bedrijf, waar gemaakt. Ik kon me zo een voorstelling maken hoe hij haar ’s ochtends kuste, de kinderen over hun bol aaide en naar zijn werk reed.

De voetstappen onder mijn raam, ik ben weer terug in de tegenwoordige tijd.

Mijn ongenoegen over Elze’s wraakactie, verandert acuut in oprechte boosheid naar Fons.

Hoe durft hij zich hier eigenlijk te vertonen. Moedig sta ik op en loop naar het raam.

Als ik de gordijnen opzij wil schuiven, hoor ik de brievenbus klepperen en hem weglopen.

Ik kijk hem na. Met gebogen schouders loopt hij terug naar zijn auto. Geknakt. 

Daar loopt de vader van mijn kind, mijn kinderen, kapotgemaakt, verpulverd door zijn kind. Ik vecht tegen mijn gevoel van mededogen.

 

Na een uur liggen woelen en draaien besef ik opeens dat de brievenbus klepperde. Het is een heldere nacht, geen zuchtje wind, dus dat kan het niet geweest zijn. Ook het kattenluikje geeft een ander gehoor.

Het laat haar niet los, ze gaat er van uit dat het een brief is, maar met welke lading. Allerlei gekke scenario’s komen in haar op. Van excuusbrief tot bombrief.

Om vier uur die nacht kan ze haar nieuwsgierigheid niet meer bedwingen en loopt, nog steeds op haar hoede, naar beneden. Het licht op de gang knipt ze snel weer uit en vervolgt haar weg redelijk op de tast, in het donker. De krakende vloerplanken weet ze te ontwijken.
Op één na.
Haar schouders spannen zich, ze probeert rust in haar ademhaling te vinden.
Tree voor tree, sluipt ze naar beneden, verwonderd over de contouren van de dagelijkse dingen. De mooiste dingen, ze worden in het donker wangedrochten. Vroeger vergeleek ze die dingen met elkaar, wat overdag gewoon lijkt, is in het donker walgelijk. Aan het einde van hun huwelijk voelde ze het ook zo. Overdag kon ze het nog aan, maar ’s nachts, ze kon in die tijd amper in slaap komen. De nacht bracht zoveel onrust met zich mee. Haar jassen ze lijken allemaal monsters. De ene nog enger dan de andere… het schilderij is door het invallende maanlicht gewoon eng…Sammie, Elze’s kat, bezorgt haar bijna een hartverzakking als ze in tijgersluipgang langs loopt.

Dan ziet ze iets wits liggen. Het is een grote witte envelop met haar naam er op; geschreven door Fons. Ze staat in dubio. Wel of niet openmaken…of gewoon verscheuren.

Ze gaat naar het toilet en onder het plassen overlegt ze met zichzelf. Haar praktische kant wint het deze keer. 'Als ik mezelf nog nachtrust gun, dan moet ik de brief wegleggen,' mompelt ze.

Haar besluit staat vast. Ze wil slapen en niet meer aan Fons denken. Snel legt ze de brief in het ladekastje.

Voor haar gemoedsrust werpt ze nog een snelle blik door het zijraampje. 'Ik weet dat hij er allang niet meer is, maar toch…'

Voor de tweede keer kijkt ze uit het raam, zijn auto, zijn auto staat er nog of weer…

'Waarom?'  Onrustig loopt ze heen en weer en probeert kalm te blijven.

'Wat is hij van plan?'  Waakzaam, gewapend met een mes en twee telefoons, loopt ze naar boven.
Slapen lukt niet meer….

 

 

 

 © Nynke Laanstra